In deze blog geeft juf Amanda advies en tips hoe je het boek ‘de mooiste vis van de zee’ kan gebruiken in de klas. Je kan dit boek op verschillende thema’s laten aansluiten: thema ‘onderwater’, thema dierendag, thema ‘dieren’, maar ook sociale vaardigheid: thema delen en vriendschap en uiterlijk.

Kleuters

Een mooi boek om een ‘close listening’ les te doen. Close listening bestaat uit een serie van 3 lessen. Hierbij staat de inhoud van de tekst of het verhaal centraal.

Les 1: De eerste les ga je met de kinderen de kaft heel goed bestuderen. Mooi zou zijn als je de voorkant in het groot kan laten zien, bijvoorbeeld op een poster. Natuurlijk vallen die glitters op, maar kijk dan verder, wat zien de kinderen nog meer. Welke kleuren, maar ook bijvoorbeeld het koraal en de bubbels. Je leest als leerkracht het boek voor en staat stil bij moeilijke woorden zoals: ‘ bezaaid’, ‘opscheppen’, ‘koraalrif’. Ook stel je de W-vragen(wie, waar, waarom). Voorbeeld: Wat wilde de kleine vis? Waarom gaf Regenboog zijn schub niet? Waar woonde Octopus?  Maak voorspelling samen met de kinderen tijdens het voorlezen en controleer of de voorspelling klopt.  Voorbeeld: Nadat het kleine visje voor de eerste keer om een schub vraagt, bedenk samen met de klas wat Regenboog zou doen. Lees dan pas verder om te zien of het klopt. Vraag voordat Octopus advies geeft welk advies jij Regenboog zou geven. Controleer of het waar is door verder te lezen.

Les 2: Hier ligt de focus op het begin, -midden en het eind van het verhaal.

 Begin met het ophalen van de voorkennis.(misschien begin van de week, of met welke letter begint jouw naam? Of welke maand is het einde van de maand?)

Zorg dat de begrippen duidelijk zijn, als dit nog niet zo is, is dit wel een voorwaarde voordat je de les kan aanbieden.

Begrip begin-midden-eind aanbieden:
Maak het concreet m.g.v. materialen. Pak bijvoorbeeld een touw. Zeg dat je bij het touw een begin, een midden en een eind gaat aanwijzen (gebruik hierbij ook knijpers, het liefst in drie verschillende kleuren). Demonstreer dit en herhaal bij de handeling ook steeds de juiste woorden. Begin bijvoorbeeld ook eens bij het eind en benoem dan welke stappen er gemaakt moeten worden om de andere knijpers te plakken. De stappen (volgorde is; begin, midden, eind) is het makkelijkst te onthouden wanneer je dit in een vast ritme aanbiedt. Als een soort lied. Wanneer jij het voorbeeld hebt gegeven, plaats dan één knijper op de juiste plek en benoem het woord(bijvoorbeeld ‘begin’) Plaats dan samen met een ander kind de overige knijpers en benoem dan samen het juiste begrip (in hetzelfde ritme als hiervoor is genoemd).  Laat de kinderen ook zelf een stuk touw pakken en het begin, midden en het einde aanduiden. Let op: begin boven als je het touw verticaal houdt of begin links als je het touw horizontaal houdt. Dit heeft te maken met de leesrichting die ze later gaan leren.

Je kunt de begrippen ook verduidelijken door het aan klanken te koppelen. Zet drie bouwblokken neer, met elk één letter erop. V I S. Laat de kinderen elke klank meeklappen. Bespreek dan begin- midden en eind van het woord. Pak dan een heel dik boek erbij (bijvoorbeeld een woordenboek) Laat hierbij het begin, het midden en het eind zien

Begin-midden-eind van het verhaal:

Doordat de kinderen nu weten waar in een boek ongeveer het begin, het midden en het einde is, kunnen jullie dit met bijvoorbeeld bladwijzers ook aangeven in het boek.

Leg daarna 3 hoepels neer. Deze hoepels stellen het begin, het midden en het eind voor van het verhaal. Druk verschillende prenten af uit het boek. Bespreek met de kinderen wat er op de prent te zien is en bedenk dan wanneer zich dit afspeelt. Leg de prent in de juiste hoepel.

Controleer op door samen met de kinderen te kijken in het boek waar jullie de bladwijzers hebben geplaatst. Klopt het?

Geef de kinderen dan zelf een prent en d.m.v. mix and match laat je de kinderen de prent aan elkaar vertellen(wat gebeurt er op mijn prent en wanneer gebeurt het)

Eind opdracht: laat de kinderen hun eigen prent ruilen met een andere prent die niet hetzelfde is en laat ze het in de goede hoepel plaatsen.

Bekijk klassikaal of de prenten in de juiste hoepels liggen.

Les 3: Tijdens deze les ga je meer verdiepen in de keuzes van de hoofdpersoon en welk effect deze keuzes hebben op de andere personages. Koppel dit aan gebeurtenissen die de kinderen zelf wellicht hebben ervaren.  Voorbeeld: Wilde ze ook een keer iets van een ander hebben, maar mocht dat niet. Hoe voelde dat? Wat deed je toen?

1.De kleine vis wilde een schub van Regenboog, maar Regenboog zei nee. Hoe voelt de kleine vis zich en waarom? En waarom zou Regenboog niet willen delen en wat zou kleine vis nu kunnen doen?

2.De andere vissen willen niet meer met Regenboog spelen. Hoe voelt Regenboog zich en waarom? Waarom willen de andere vissen dan niet meer met Regenboog spelen. Wat zou Regenboog kunnen doen?

3.Regenboog krijgt een moeilijke keuze voorgelegd vanuit Octopus, de inktvis. Hoe voelt Regenboog zich? Wat zou er gebeuren als hij voor keuze 1 gaat of wat zou er gebeuren als hij voor de tweede keuze gaat.

4.Regenboog geeft zijn schub weg. Hoe voelt Regenboog zich? Waarom en welk effect heeft het op de kleine vis?

5.Regenboog wordt gevraagd om mee te doen met spelen. Hoe voelt Regenboog zich en waarom? Welk effect heeft dit op de andere vissen?

Tip: gebruik de emotiekaarten vanuit SOVA waarmee de kinderen al bekend zijn. Pak steeds de juiste emotie erbij tijdens het bespreken van de hierboven genoemde situaties.

Middenbouw

Pak het boek in. Vertel de kinderen dat je een boek gaat voorlezen. Stel tijdens het voorlezen van het boek wel de WH-vragen en voorspel tussentijds wat er gaat gebeuren, dit doe je hardop (modelen) en stel je niet aan de kinderen zelf. Let op: tijdens het voorlezen, laat de leerkracht geen van de prenten zien!)

Terwijl de kinderen naar het verhaal luisteren, mogen ze tekenen. Ze tekenen hoe zij zich voorstellen hoe de vis eruitziet. Maak vooraf goed duidelijk wat je van de kinderen verwacht, dat is aan de leerkracht zelf, als het maar wel duidelijk is vooraf dat de kinderen gaan tekenen, zodat ze hier zelf hun werk op kunnen beoordelen.

Geef de kinderen indien nodig ook de tijd om het werk af te maken, als het verhaal is afgelopen. Zet bijvoorbeeld ‘oceaan geluiden’ op als achtergrond muziek om in de sfeer te blijven.

Wanneer de tekening klaar is laat je de kinderen hun eigen werk beoordelen aan de hand van de eisen die de leerkracht vooraf had gesteld. Laat de kinderen zelf een oordeel geven aan het werk.

Pak hierna het boek uit en onthul de kaft: laat de kinderen het vergelijken met hun eigen product. Wat zijn de verschillen, de overeenkomsten? Naar welke prent gaat je voorkeur uit en waarom?

Tip:

  • Zet het boek nog een weekje in de klas, zodat kinderen nog even zelf het gehele boek kunnen doorbladeren en de mooie prenten kunnen bewonderen.
  • Laat de kinderen tijdens het teken gebruik maken van bijvoorbeeld glimsteentjes of glitters en verschillende materialen om te tekenen/schilderen zoals kleurpotloden, stiften of (water)verf.

Bovenbouw

Doel: Herschrijf het verhaal.

Voordat je het boek gaat voorlezen, laat de kinderen weten dat veel boeken en verhalen vaak een boodschap hebben, een moraal. Bespreek vooraf met de kinderen welk moraal zij al kennen. Want het doel van deze les is dat de leerlingen de moraal van dit verhaal gaan herschrijven in een modern thema.

Uiteraard sta je ook stil bij de kaft. Kennen jullie dit boek? Wat vond je er toen van? Zou je het nu nog pakken waarom wel en waarom niet?

Lees het boek voor en bespreek de moraal. Breng ook in kaart wie de hoofdpersonen zijn, samen met de gebeurtenissen in het verhaal.

Vertel de kinderen dat ze het verhaal gaan herschrijven maar de moraal en de volgorde en de gebeurtenissen hetzelfde moeten zijn. Dit heb je onderstreept (of laten onderstrepen) in je schema.

De kinderen moeten bijvoorbeeld het personage Regenboog wel houden met zijn innerlijke kenmerken en gemoedstoestand(eerst arrogant en gesloten, daarna eenzaam en onzeker en als laatst sociaal, vriendelijk en gul) maar mogen zijn uiterlijk veranderen (misschien is het een boom, een tijger of een kind.

De kinderen mogen de locatie veranderen ze moeten wel kijken of het klopt. Het verhaal kan zich bijvoorbeeld in de ruimte afspelen, maar het is dan niet logisch als de personages dan bijvoorbeeld olifanten zijn i.p.v. marsmannetjes of sterren.

Tijdens het schrijven is het schema visueel voor de kinderen(welke punten moeten blijven en welke mogen ze veranderen) en de criteria : waar ga jij als leerkracht op letten. Let op: spelling en leestekens kun je benoemen, maar je kunt dit ook enkel markeren als opmerking wanneer het je puur om de creativiteit gaat. Maar laat het de kinderen wel vooraf weten.

Laat de kinderen hun werk in groepjes voorlezen.

Let op: hierbij is het vangroot belang dat er een veilige sfeer heerst in de groep waarbij de kinderen weten hoe ze feedback kunnen geven en ontvangen aan elkaar. Wanneer er geen sprake is van een veilige groep, laat de kinderen het verhaal dan opschrijven in hun stelschrift en laat de kinderen het door zichzelf lezen a.d.h.v. de criteria.  lees het daarna zelf dan als leerkracht en voorzie het van feedback.